De Wandeling

Kies, mijn allerliefste, opdat mijn vuur niet in eenzaamheid opbrandt.
De grond geduldig onder mijn voeten, de aarde die immer steunt, voedt en absorbeert;
Zie door mijn ogen dit veelbelovend pad en reik mij jouw vrije hand.

Fluister mij toe waar jouw hart is gestikt en jouw lichaam in een moeras is verzand,
Opdat ik de grond voor je kan dempen en je geen verdriet meer riskeert.
Kies, mijn allerliefste, opdat mijn vuur niet in eenzaamheid opbrandt.

Welke handen hebben jou gevoed en hebben jouw liefdevol gedragen, opdat je kon gronden op het land;
De stevige aarde, die immer doet groeien, bloeien en hierna composteert.
Zie door mijn ogen dit veelbelovend pad en reik mij jouw vrije hand.

Voel de wind die mij voortstuwt naar avontuur, krachtig, wervelend, tegen alles bestand,
De wind beroert, verkoelt, verwoest en niemand passeert.
Kies, mijn allerliefste, opdat mijn vuur niet in eenzaamheid opbrandt.

Fluister mij toe hoe jouw dromen zijn bedolven en jouw wensen door mistbanken zijn omrand,
Opdat ik al wat jou heeft bedekt wegblaas en je opnieuw wordt geïnspireerd.
Zie door mijn ogen dit veelbelovend pad en reik mij jouw vrije hand.

Kijk omhoog, de hemel helderblauw en oneindig, de Poolster immer als navigant,
Vertrouw mij toe wat jouw ziel deed zingen en welke storm jouw hart heeft verteerd.
De wispelturige wind, die immer vernieuwt, vernietigt, aanwakkert en ook overmand.
Zie door mijn ogen dit veelbelovend pad en reik mij jouw vrije hand.



Join our WhatsApp Community for updates on new posts!

Beeldmateriaal: De wandeling, Marc Chagall

De Schuilplaats

Op een dag, vlak na de koude winterse dagen,
Realiseerden ze zich met een schok dat er boven hen een vertrouwd beeld ontbrak.
Het water was te helder, het zicht te scherp en dit niet alleen slechts bij vlagen.
Er was iets veranderd, het was een dreigend gevoel dat dwars door hun lichaam stak.

Een paar durf-als, jong en onverschrokken,
sprongen dapper dwars door de grens heen om het universum te verkennen.
Bij terugkomst, nog happend naar water, klonken hun kreten van angst doortrokken:
‘Het universum is leeg, de buitenwaterse wezens zijn nergens te bekennen!’

Angstige gedachten regeerden: ‘Wat voor plannen waren de buitenwaterse wezens aan het smeden?’
In dit heldere water konden ze niet blijven, naakt en kwetsbaar op deze eerdaags zo vertrouwde plek.
Ze overstemden elkaar met wilde ideeën die allemaal om aandacht streden.
Uiteindelijk viel een besluit: ze trokken samen weg op zoek naar troebeler water: een nieuwe schuilplaats, een nieuwe stek.

Eén van hen, niet één van de oudsten maar ook zeker géén van de jonge durf-als,
Luisterde naar het besluit en dacht er het zijne van.
‘Lokten de buitenwaterse wezens hen immers niet vaker met aas die vasthaakte in de hals?
Allemaal samen één kant op zwemmen, dat was een valstrik, of niet, toch, dan?!’

Liever verschool hij zich op een andere plaats,
Ergens waar de buitenwaterse wezens niet zouden zoeken.
Laat de anderen maar, die waanden zich veilig buitengaats.
Niemand zou hem hier volgen door de stinkende buizen, nauwe doorgangen en scherpe hoeken.

Na een lange tocht, wrong hij zich door het uiteinde van de buis, bevrijd zwom hij rond in de witte kom.
Nog één stap, hij was bijna op zijn schuilplaats, hij geloofde het heilig.
Na een poos zou hij huiswaarts gaan, hij verwachte over zijn daden heldenverhalen alom!
Met zijn laatste krachten nam hij een sprong en belande met een plons op zijn eindbestemming. De buitenwaterse wezens zouden hem hier niet vinden. Hij zat veilig.

Join our WhatsApp Community for updates on new posts!