Langs De Rivier

Johan staarde roerloos naar het water aan zijn voeten. De zomerhitte drukte zo zwaar op zijn lichaam dat hij elk moment verwachtte dwars door de grond heen te zakken en tussen het modderige zand en de wriemelende wormen langzaam te stikken.

Hij liep de gebeurtenissen van de afgelopen tijd in gedachten nog een keer na. Een onheilspellend voorgevoel had hem al een tijdje vergezeld. Hoe was het zover gekomen dat haar enthousiaste aandacht als een uitgebloeide roos was verwelkt?

Zij was met haar ouders naar hun zomerverblijf net buiten de stad vertrokken. De middag van voor haar vertrek, had Johan nog een lange wandeling met haar gemaakt. Op de terugweg waren ze langs de rivier op het gras gaan liggen. Ze hadden naar de hemel gestaard. Johan had gedaan alsof hij met zijn hand de zon kon vastgrijpen. ‘Kijk’ had hij gezegd, ‘ik pluk de zon van de hemel zodat het niet ondergaat en wij voor altijd hier kunnen blijven liggen.’ Hij herinnerde zich nog de sprankeling in haar groenbruine ogen.

Elke dag had hij thuis aan de keukentafel gezeten om in zijn mooiste handschrift een brief aan haar te schrijven. Zijn vader had afkeurend gebromd; ontstemd over zijn zoon die zich uitsloofde voor een ‘meisje van stand’. Johans moeder was milder tegen haar enige zoon. ‘Niets van aantrekken Johan. Dit meisje moet zich gelukkig prijzen.’

Zijn vrienden lachten hem spottend uit. ‘Daar heb je Johan, overdag werkt hij met zijn eeltige handen in de fabriek, ’s avonds likt hij aan een penseel en krast voor zijn duifje honingzoete woordjes op duur papier.’ Hij had de opmerkingen genegeerd. Als hij maar vaak genoeg haar aandacht bleef trekken, zou ze hem blijven herinneren. Over één ding had zijn vader gelijk, bij meisjes zoals zij moest je extra je best moest doen om hun aandacht te houden.

De eerste paar weken ontving hij meerdere keren per week een brief van haar. Zij schreef over het landgoed, over de lange ritten op haar favoriete paard en over het borduurwerk waar ze aan werkte. Eén keer stuurde zij hem een stukje groen borduurgaren toe. Hij had het kostbare bezit in zijn nachtkastje opgeborgen waar hij het soms lichtjes met zijn wijsvinger streelde.

Naarmate de weken verstreken, werden haar brieven steeds korter en de tijd tussen de brieven steeds langer. Todat er geen post meer voor hem verscheen. Hij hield stug vol en schreef haar opgewekt over de wandelingen die ze samen zouden maken na haar terugkomst.

Ook bleef hij dagelijks langs haar huis lopen. Hij verschool zich achter de heg en kwam zo dicht mogelijk bij haar slaapkamerraam. Als zij er weer was zou hij zoals vanouds een steentje tegen het raam gooien waarna zij stiekem uit huis zou glippen.

Vanochtend waren de gordijnen voor haar raam open. Ze was terug! Hij had een steentje tegen haar raam gegooid. Plotseling was ze aan het raam verschenen. Ze had hem uitdrukkingsloos aangekeken, alsof hij een vreemde was. Met een ruk had ze de gordijnen dichtgetrokken.

Hij had nog gewacht in de hoop haar nog te zien. Zijn wachten werd beloond toen ze na een poos het huis verliet. Met opgeheven hoofd liep ze resoluut door de voortuin de straat op. Hij was langs de heg naar haar toegesneld. Ze had dwars door hem heen gekeken. Het was alsof hij niet meer bestond. Hij had de strijd om haar aandacht verloren.



Join our WhatsApp Community for updates on new posts!

Beeldmateriaal: Baders bij Asnières, George-Pierre Seurat

De Schuilplaats

Op een dag, vlak na de koude winterse dagen,
Realiseerden ze zich met een schok dat er boven hen een vertrouwd beeld ontbrak.
Het water was te helder, het zicht te scherp en dit niet alleen slechts bij vlagen.
Er was iets veranderd, het was een dreigend gevoel dat dwars door hun lichaam stak.

Een paar durf-als, jong en onverschrokken,
sprongen dapper dwars door de grens heen om het universum te verkennen.
Bij terugkomst, nog happend naar water, klonken hun kreten van angst doortrokken:
‘Het universum is leeg, de buitenwaterse wezens zijn nergens te bekennen!’

Angstige gedachten regeerden: ‘Wat voor plannen waren de buitenwaterse wezens aan het smeden?’
In dit heldere water konden ze niet blijven, naakt en kwetsbaar op deze eerdaags zo vertrouwde plek.
Ze overstemden elkaar met wilde ideeën die allemaal om aandacht streden.
Uiteindelijk viel een besluit: ze trokken samen weg op zoek naar troebeler water: een nieuwe schuilplaats, een nieuwe stek.

Eén van hen, niet één van de oudsten maar ook zeker géén van de jonge durf-als,
Luisterde naar het besluit en dacht er het zijne van.
‘Lokten de buitenwaterse wezens hen immers niet vaker met aas die vasthaakte in de hals?
Allemaal samen één kant op zwemmen, dat was een valstrik, of niet, toch, dan?!’

Liever verschool hij zich op een andere plaats,
Ergens waar de buitenwaterse wezens niet zouden zoeken.
Laat de anderen maar, die waanden zich veilig buitengaats.
Niemand zou hem hier volgen door de stinkende buizen, nauwe doorgangen en scherpe hoeken.

Na een lange tocht, wrong hij zich door het uiteinde van de buis, bevrijd zwom hij rond in de witte kom.
Nog één stap, hij was bijna op zijn schuilplaats, hij geloofde het heilig.
Na een poos zou hij huiswaarts gaan, hij verwachte over zijn daden heldenverhalen alom!
Met zijn laatste krachten nam hij een sprong en belande met een plons op zijn eindbestemming. De buitenwaterse wezens zouden hem hier niet vinden. Hij zat veilig.

Join our WhatsApp Community for updates on new posts!

Achter De Grote Boom

De grond was oneffen waardoor het gele laken niet plat lag. Mila trok het laken van de grond. Stampvoetend maakte ze de grond platter. Als Nousha er eindelijk was, moest ze hier wel goed kunnen zitten. Mila legde het laken weer op de grond en plaatste het bakje met verse aardbeien precies in het midden. Nousha zou vast blij zijn met de aardbeien. Ze had een keer tijdens de groepsles gezegd dat aardbeien haar lievelingsfruit waren.

Mila had de aardbeien vanochtend vroeg op de markt gekocht. Ze had de marktkoopman recht in zijn ogen aangekeken. Ze had haar vraag langzaam, woord voor woord, gesteld. ‘Graag..uw..meest..verse..en..zoete..bakje..aardbeien, alst..u..blieft.’ De man had haar weifelend aangekeken. Ze herinnerde zich net op tijd om haar gezicht in een lach te plooien. De lach die ze zo vaak voor de spiegel had moeten oefenen dat ze precies wist hoe ze eruit zag. Ze trok de spieren tussen haar ogen en mond helemaal samen waardoor haar mond op een halve maan leek. De marktkoopman had een wenkbrauw opgetrokken. Een tel later wees hij een bakje aardbeien aan. Mila tilde het bakje langzaam op, bang om met een verkeerde beweging het kwetsbare fruit te kneuzen of het fruit op de grond te laten vallen.

Daar was Nousha!

‘Mila!’ Nousha stapte gehaast van haar fiets. Ze greep Mila bij haar bovenarmen vast. ‘Je hebt ons laten schrikken. Overal hebben we gezocht. Ik ben door twee andere parken gefietst. Toen herinnerde ik mij dat je in de buurt van dit park hebt gewoond en kwam ik hier zoeken.’ Nousha hijgde nog een beetje, haar stem klonk strenger dan normaal. ‘Mila, je kunt niet zomaar uit huis gaan en alleen een berichtje sturen dat ik je moet ontmoeten achter de grote boom.’

Mila wrong zich los en staarde naar de grond.

‘Mila, kijk me aan. Ik ben niet boos. Ik was ongerust. Gelukkig heb ik je gevonden. Wat doe je hier?’

Nousha’s blik viel op het gele laken. ‘Is dit jouw beddenlaken? Zijn die aardbeien van jou?’

Nog steeds staarde Mila geconcentreerd naar de grassprieten rond haar voeten. Het grasveld leek van een afstand veel groener. Als je van dichtbij lang genoeg keek, waren het maar een paar sprietjes gras met daartussen veel modder. Mila dacht wel vaker dat dingen, als je beter keek, eigenlijk lelijk waren.

Mila mompelde haast onhoorbaar: ‘Je houdt ervan om aardbeien te eten in het park.’

‘Mila… Kom naast me zitten. We eten de aardbeien en daarna gaan we samen naar het huis. Ja?!’

Mila knikte en plofte naast Nousha neer. Ze leunden met hun ruggen tegen de oude boom. De scherpe randen van de boombast sneden pijnlijk in Mila’s rug. Toch bewoog ze niet. Haar rechterbovenarm raakte lichtjes Nousha’s bovenarm. Nousha prikte om beurten met het vorkje een aardbei voor zichzelf en één voor Mila. Mila kauwde elke aardbei zeker dertig keer voordat ze het doorslikte. Vanuit haar ooghoeken keek ze naar Nousha’s gezicht waar steeds een lach verscheen na elke doorgeslikte aardbei. Zo nu en dan rook ze de bloemige geur van Nousha’s shampoo die zich vermengde met de geuren van mos en rottend kroos uit het nabijgelegen vijvertje. De grond was vochtig en voelde koud aan tegen Mila’s billen. Ze moest plassen. Toch bewoog ze niet, hier achter de grote boom.



Join our WhatsApp Community for updates on new posts!

Photo by Ries Bosch on Unsplash

Een Lichtblauwe Jurk

Het is mooi weer, toch houdt haar vader de ramen dicht. Bang als hij is dat het virus met een zoemende bij het huis in vliegt. De eerste dagen was ze boos geweest, onrustig. Binnen zitten in het benauwde huis met een vader die met hernieuwde bezieling bad en schoon maakte. Reinigen van de ziel en reinigen van het huis. Maar met elke dag die verstreek nam de gelatenheid haar steeds meer in beslag. De gelatenheid hing als een donkere nevel enkele millimeters boven de vloer. Het bedekte eerst haar tenen en haar voeten en sloop via haar enkels, onderbenen en knieën omhoog.

Zij verbleef op de bovenverdieping en hield de deur naar de gang gesloten. Ze voelde zich gevangen in het huis waar ze een paar jaar eerder zo gretig afscheid van had genomen. Het avontuur had aan haar getrokken. Haar werk bracht haar naar verre landen, bevredigde haar nieuwsgierigheid naar nog onbekende mensen en nieuwe ervaringen. Zij had zich vrijgevochten uit het beklemmende dorp.

Op het schip en in de havens had ze gulzig genoten van zonlicht, muziek, seks en vriendschap. Het dorp was ver weg en vergeten. Abrupt was aan dit leven een einde gekomen. In ieder geval voor nu. Zo plotseling was ze zonder werk, dat ze niet eens terug kon in haar onderverhuurde studio. Ze was genoodzaakt bij haar vader in te trekken.

Vanochtend was ze met een dikke tong en een droge keel wakker geworden. De donkere nevel had in de nacht zijn weg naar boven, naar haar keel en mond gevonden. Het gewicht van haar dekbed drukte als een gevallen betonplaat op haar borst.

Met een zucht had ze haar hoofd naar het raam gedraaid. Door de gleuf tussen de donkerbruine gordijnen, straalde een streepje lichtblauwe hemel haar toe. Opeens had ze zich haar balletjurk herinnerd. De jurk die ze met haar moeder had gekocht op een strenge winterdag met eenzelfde lichtblauwe hemel. Haar moeder had lachend een hand tegen Ella’s wang aangedrukt. ‘Kijk Ella, als je de balletjurk aandoet, draag je een stukje hemel met je mee.’ Haar moeder nam altijd intens de natuur in zich op. Het koolmeesje dat aan een dauwdruppel zoog, een herfstblad in de vorm van een hartje of een kever die naar een schuilplaats waggelde.

Ella had de balletjurk in een hoek achter in de klerenkast gevonden. De kleur was precies zoals ze het zich herinnerde. Met gesloten ogen had ze aan de jurk geroken. Het rook naar mottenballen vermengd met een vleugje wasverzachter. Terwijl ze uitademde fladderde de herinnering aan de ontelbare balletlessen en het onwrikbare enthousiasme van haar moeder als een vlinder door haar hoofd.

Ze had de jurk aangetrokken. Het zat strak, maar paste nog wel. Ze was op het bed neergeploft en had de petticoat over haar benen geslagen. In haar hoofd klonk zachtjes muziek en vrolijk de stem van haar moeder. Ze haalde adem, er was in de kamer eindelijk weer lucht.



Join our WhatsApp Community for updates on new posts!

Image: Edward Hopper, New York Interior, c. 1921, Whitney Museum of American Art, © Heirs of Josephine N. Hopper, licensed by the Whitney Museum of American Art