Blenchi: Een Caribisch Liefdesverhaal

Ik kijk op van het stuk papier in mijn handen en staar voor me uit over een donkerblauwe, ogenschijnlijk bewegingloze Caribische zee. De wind is gaan liggen. Het water lijkt gestagneerd, verworden tot een bijna gladde eindeloze donkere massa in afwachting van een bries om de golven weer tot leven te brengen. De verraderlijke onderstromen die continu het zand van de stranden wegschrapen en het land langzaam doen verdwijnen, blijven voor het blote oog verborgen.

Hoe weet ik of ik voor jou evenveel heb betekend als jij voor mij? Ik wil jouw hand vastpakken en dit keer niet loslaten totdat jij al mijn vragen hebt beantwoord. In gedachten zie ik je nog naast mij aan tafel zitten. Ik hoor jouw stem als ik in de keuken een kop koffie zet, ik ruik jouw geur in de handdoeken die ik na het zwemmen om mijn lichaam sla. Als ik in bed lig voel ik nog de warmte van jouw lichaam tegen de mijne.

Zo alleen in dit huis durf ik de balans van onze tijd samen niet op te maken, wil ik de antwoorden op mijn vragen niet weten. Ik strijk met mijn vingers over het grijszwart bedrukt krantenknipsel en lees nog een keer het bericht. De kwaliteit van het papier is slecht, zelfs bij deze lichte aanraking laat de inkt zwarte vegen achter op mijn vingers.

We hadden elkaar tot aan die lustrumviering van de Caribische studentenvereniging op het vasteland nooit ontmoet. Jij was zes jaar ouder dan ik waardoor we niet samen naar de middelbare school waren gegaan en we elkaar, hoewel van hetzelfde eiland, niet kenden.

De bevlogenheid waarmee je sprak over het terugkeren naar ons geboorte-eiland om daar een verschil te maken, maakte indruk op mij. Niet zozeer vanwege jouw argumenten. Die waren mij bekend en aan mij niet besteed. Zeker niet op dat moment in mijn leven waarbij de wereld nog zo onontdekt groots en het eiland dat ik kort geleden resoluut de rug had toegekeerd, zo minuscuul klein en verstikkend bekend leek.

Het was de manier waarop jouw ogen vuur spuwden in een verder kille vergaderzaal, waar de regen in striemen langs de buitenkant van de hoge ramen afgleed en de voorbijsnellende voetgangers voorovergebogen de strijd met de ijzige wind aangingen, die verrieden dat jouw navelstreng duizenden kilometers verderop onder een verschroeiend hete zon lag begraven.

Jij sprak beheerst, met de typische rationele en onderkoelde toon van iemand die al een paar jaar op het vasteland vertoefde. Ik luisterde niet, ik staarde naar jouw lippen en veerde steeds even op als je deze samendrukte om ze vervolgens met het puntje van jouw tong te bevochtigen.

Soms hapte je naar adem en stelde ik me voor meegezogen te worden via jouw terracotta gestifte lippen, langs jouw lichtbruine hals tot aan het kuiltje tussen jouw sleutelbenen waar, toch een beetje cliché, een gouden hanger in de vorm van het eiland aan een dun kettinkje bungelde.

Hoe ik die avond met je in gesprek raakte weet ik niet meer, misschien bracht ik je een drankje. Ik herinner me die alleroverheersende noodzaak om jou te spreken die alle andere gedachten, geluiden of gesprekken wegdrong.

Die eerste avond struinden we na de lustrumviering nog uren door de stad. We aten in een met TL-buizen verlichte eettent het vette eten dat ons aan het uitgaansleven op ons geboorte-eiland deed denken. We praatten, lachten en struikelden over de oneven bestrating in de slecht verlichte steegjes van de oude binnenstad, om uiteindelijk in mijn studentkamer verbaasd over de vanzelfsprekendheid van ons samenzijn en uitgeput door het bevredigen van een eerder onbekende maar alles verterende lust, naakt en voldaan tegen elkaar aan in slaap te vallen.

Dat jij een vriend had, vond ik toen niet erg. We dachten misschien allebei dat dit een fase was waar we snel op uitgekeken zouden raken. Dat hij jouw hele leven aan jouw zijde zou blijven, had ik toen met mijn jeugdige kortzichtigheid niet kunnen voorzien.

We bleven elkaar zien. Met jouw toenemende werkverplichtingen, werd het moeilijker om tijd voor elkaar te vinden. Ik paste me aan, wrong me in bochten om met jou te kunnen zijn. Ik was als de hongerige jonge acteur die altijd beschikbaar was om rolvast op te treden in de leugens en smoesjes waarmee je vragen van jouw geliefde, vrienden en collega’s afwimpelde.

Ik voelde me gerustgesteld en stil als we samen waren. Meestal waren we niet samen, het was voor mij nooit genoeg. Ik kon jouw geur nooit genoeg opsnuiven, ik hoorde jouw stem en jouw ingetogen lach nooit genoeg. Ik had nooit genoeg van jouw lichaam gezien, aangeraakt, gestreeld, gekust of gelikt. Steeds drong de buitenwereld zich schreeuwerig op, als een uit louter beleefdheid uitgenodigde en prompt vroegtijds gearriveerde gast.

Er was altijd dat andere leven waar jij voor koos, waar een ander jouw tijd kon afdwingen.

‘Ik wil je weer zien.’

‘Ik jou ook lief. Alleen, het is nu erg druk.’

‘Het is altijd druk. Dat is het juist. Er gaat altijd iets anders vóór. Als jouw werk af is, als de boodschappen zijn gedaan, als je gesport hebt, als jouw vriend met een volle maag voldaan voor de tv hangt, dan pas kijk je om je heen waar ik ben. Op de begroting van jouw leven, ben ik de sluitpost. Als er nog tijd is en energie, als het logistiek gezien nog geloofwaardig te regelen is, dan pas maak je tijd voor mij, voor ons.’

Veel bracht jij nooit als weerwoord in. Je schudde verontwaardigd jouw hoofd en zuchtte demonstratief. Een enkele keer liep je boos weg waarna ik een paar dagen niets van je hoorde voordat we weer, na een slap excuus of een puberaal romantische telefonische liefdesverklaring, de draad weer oppakten.

Zo verstreken de dagen, de dagen werden weken, de weken werden maanden. De maanden stapelden zich ongemerkt op tot jaren. Jij vertrok, met jouw inmiddels verloofde, terug naar ons geboorte-eiland. Ik bleef achter op het vasteland. Achtergelaten en opgeborgen als de winterkleding die je na jouw verhuizing in een koffer had gestopt om alleen bij de jaarlijkse vakantie weer te luchten en gedurende een paar weken jouw aandacht te geven.

Ik wilde afscheid nemen van onze relatie. Ik wilde je loslaten. Ik wilde niet in dit gevoel voor jou gevangen zijn. Sommige nachten, vlak voordat de ochtend aanbrak en ik rusteloos, haast radeloos in bed ronddraaide, nam ik me voor om een punt achter de relatie te zetten. Om mezelf te dwingen om aan iemand anders te denken dan aan jou. Het lukte me niet.

Ik was afhankelijk van jou. Wanneer jij tijd had en aan mij dacht, en ook niet onbelangrijk, wanneer jij de mogelijkheid had om mij een bericht te sturen. Vaak was het niet meer dan één lang bericht, of een paar korte, snel na elkaar ingetypt. Dan had je even een moment om, zoals ik het op mijn slechte dagen interpreteerde, jouw gedachten en gevoelens uit te kotsen en op verzenden te drukken. Op mijn goede dagen vond ik jouw berichten een uiting van spontaniteit. Alsof je, verscholen achter jouw hand, lieflijk een woordje in mijn oor fluisterde. Een liefkozing, uitsluitend bedoeld voor mij.

In beide gevallen was het resultaat van jouw bericht hetzelfde. Ik moest afwachten. Afwachten wanneer je weer wat van je zou laten horen, afwachten of je zou reageren op hetgeen ik je had gestuurd, of dat je, na een paar uur, weer een compleet ander onderwerp zou aanboren.

Als ik je aan de telefoon had, kon ik soms de vermoeidheid in jouw stem horen. Dan wilde ik naast je zitten in de auto. Met mijn hand over jouw bovenbeen wrijven. Met mijn vingers langs jouw wang strijken en een voorzichtige kus op jouw mondhoek drukken.

Je belde me ’s avonds laat, na vergaderingen van jouw werk of van de prestigieuze vrijwilligersclubs waarin je actief was. Op vaste dagen in de week en in het weekend belde je mij als je jouw kinderen bij een sportles of wedstrijd had afgezet. Ik had nooit kunnen bedenken dat ik zo blij zou zijn met de ballet- en turnlessen van jouw dochters. In de auto, afgezonderd op een afgelegen parkeerplaats, had je de tijd voor mij. Dat ik daardoor, zeker toen er nog een oceaan tussen ons in deinde, op de raarste momenten tijd voor je maakte nam ik op de koop toe. Steeds weer liet ik mij door jouw aandacht en stemgeluid in verliefdheid sussen, zoals een moeder met een liefkozende melodie een koortsig kind in slaap neuriet.

De eenzame realiteit diende zich natuurlijk altijd weer aan. Ik haatte mezelf omdat ik wist hoe afhankelijk ik van jou was. Hoe één bericht van jou, een kruimel aandacht, één telefoontje, mij terugwierp in een eindeloze vrije val waarin ruimte en tijd ongrijpbaar waren en ik wild om me heen greep, wetende dat deze vrije val niet anders kon dan een keer tot een verpletterend einde te komen.

Ik keek met jaloezie naar kibbelende stelletjes. Als jij een keer kortaf tegen mij was, kon ik niet op jou vitten. Ik kon je niet later op de dag spreken om een misverstand recht te trekken, of om een klein ongenoegen te uiten. Bang als ik was dat de weinige tijd die we samen hadden, besteed zou worden aan frustraties en ongemakkelijkheden over onze relatie. Juist omdat we geen ruzie konden maken over kleine dingen, bleven de grote dingen over. Juist omdat er nooit genoeg tijd was, bleven de grote dingen ongezegd.

Als jij met jouw inmiddels echtgenoot en kleine kinderen op vakantie kwam naar het vasteland, zagen we elkaar een enkele keer. Tijdens elk bezoek was je als een waardevol kunstobject dat door het geboorte-eiland tijdelijk uitgeleend werd aan de meest prestigieuze musea van het vasteland. Ik mocht jou bekijken en zelfs aanraken, maar wel vanuit de wetenschap dat ik je terstond weer moest inleveren zodra jouw man als een gelauwerde curator besloot dat zijn topstuk lang genoeg aan een in zijn ogen, minder belangwekkende connaisseur, was uitgeleend.

Meer dan eens werd onze tijd samen tijdens jouw vakanties ruw verstoord door de plannen van jouw echtgenoot. Ik kon je niet dwingen om mij boven hem te verkiezen.

‘We hadden toch afgesproken om zaterdagmiddag bij elkaar te zijn?’

‘Ja lief, ik weet, maar ik moet met mijn man naar zijn vrienden.’

‘Waarom moet dat? Je kan toch zeggen dat wij een afspraak hebben? Jij kan toch ook jouw vrienden bezoeken?’

‘Lief je hebt gelijk, maar ja…wat kan ik er tegenin brengen… Jij en ik hebben elkaar al twee keer gezien deze vakantie. Terwijl ik nog niet één keer met hem naar deze vrienden ben gegaan. We moeten onze tijd hier nou eenmaal verdelen. In zijn ogen heb jij relatief veel tijd gehad…’

Mijn maag trok samen. Ik had mijn vuist tegen de muur gedrukt, het kostte me alles om mijn stem niet te verheffen.

‘Dat vind hij. Maar wat vind jij dan? Vind je zijn vrienden zien ook belangrijker dan bij mij zijn? Dit is de laatste keer voordat je terug gaat en we elkaar maandenlang niet zien. Ik…. We kunnen niet eens afscheid nemen omdat jij zo nodig met vrienden moet afspreken die je verder nooit ziet of spreekt. Ik! Ik wil je nog zien! Ik wil tegen je aanliggen en je vasthouden.’

Ik stond in de gang op werk. Collega’s liepen langs die ik met een verkrampte grimas begroette. Er was geen ruimte om dit gesprek te voeren. Ik wilde je aankijken zodat je mijn teleurstelling kon zien. Ik wilde je vastgrijpen zodat je mijn verlangen naar jou kon voelen. Ik wilde meer zijn dan een stem die je kon afwijzen door in te spreken in een rechthoekig stuk metaal dat langzaamaan warm werd aan jouw oor.

‘Lief, ik moet gaan, ik bel je later en dan kijken we of we nog ergens koffie kunnen drinken. Ik mis je ook en ik baal hier van, maar ja, ik.. het is even iet anders.’

Ik had nog iets van een afscheidsgroet gemompeld. Die vakantie zagen we elkaar niet meer.

Het duurde nog een paar jaar voordat ook ik besloot terug te keren naar ons geboorte-eiland. De vrijheid en ontdekkingen die het vasteland mij boden verloren niet zozeer hun glans en aantrekkelijkheid, als wel het vermogen om mij te doen aarden en tot rust te laten komen. De zoektocht op het vasteland bleek uiteindelijk een reis met als eindstation het thuis waar ik jaren eerder zo kordaat afscheid van had genomen.

Ik wilde het niet aan mezelf toegeven, maar ik wilde ook dichter bij jou zijn. Ik had gedacht dat de aantrekkingskracht zou afnemen. Maar het was als een korstje op een diepe wond. Het groeide wel dicht, maar de gevoeligheid verdween niet. Een bericht van jou, een aanraking, een lief gefluisterd ‘ik mis je’, en de korst werd er weer hardhandig afgerukt.

Steeds weer verloor ik mezelf in jouw ogen. Elke keer weer verbaasde ik mij over de fluwelen zachtheid van jouw huid. Ik bedacht eindeloze variaties om de rondingen van jouw lichaam te volgen: licht strelend met mijn vingers, geruststellend wrijvend met mijn hand, teder likkend met mijn tong tot aan hongerig bijtend met mijn tanden.

Eenmaal op het eiland kocht ik, net zoals vele anderen, een weekendhuis dat ik, na een grondige verbouwing, soms aan toeristen verhuurde. Ik hield mezelf voor dat ik een met rolluiken af te sluiten garage had laten bouwen zodat de huurauto’s van de toeristen ‘s nachts beter beschermd waren tegen de vele auto-inbraken. Het was slechts een bijkomend voordeel dat met deze garage het voor voorbijrijders niet zichtbaar was of er, en zoja welke, auto’s in de garage stonden. Een beetje privacy op het kleine eiland waar velen elkaar bij auto en nummerplaat kenden en verblijfplaatsen zelden geheim bleven.

Het huis diende vooral als onze ontmoetingsplek. Ik richtte het naar jouw smaak in, met veel beige zandkleuren, zachte katoenen en linnen stoffen en vooral veel lichtinval. Vanaf het verbreedde balkon konden we liggend op de comfortabele banken naar de zee, de over elkaar tuimelende vogels en de ondergaande zon staren.

We kwamen elkaar wel eens tegen, tijdens borrels en sociale evenementen. Iedereen wist dat we bevriend waren, waardoor het ook nooit misplaatst was dat we elkaar even omhelsden en apart spraken. Toch had jij, veel meer dan ik, een scherp oog voor decorum. Het was bijzonder hoe je tijdens onze openbare ontmoetingen jouw emotionele afstand hield. Op dit soort momenten dacht ik soms dat onze relatie zich in mijn hoofd afspeelde. Dat het onmogelijk was dat deze zelfde koele, zakelijke vrouw die op gepaste afstand van me stond, die zo correct en beleefd was, dezelfde vrouw was die mijn benen hardhandig uit elkaar duwde om haar tong zo diep mogelijk in mij te steken waardoor ik niet anders kon dan luid kreunend klaarkomen.

Ik wilde je een bijzonder cadeau geven, iets van ons samen, iets tastbaars, om uiting te geven aan onze liefde. Ik koos een paar gouden langwerpige oorbellen die sierlijk langs jouw hals vielen en waarvan de oorknop uit een fonkelende groene smaragd bestond.

‘Lief, dat kan toch niet? Dit is een te duur cadeau om van een vriendin te ontvangen. Dat valt toch op! Hoe leg ik dat uit aan mijn man, aan familie en vrienden?’

Naar mijn weten heb je de oorbellen nooit gedragen.
Ik ben altijd blijven hopen dat je bij hem weg zou gaan. Het was een regelmatig terugkerend gesprek dat wij over de jaren heen voerden. Soms was het een wat langer gesprek, gevoelig, kwetsbaar en gleden er tranen langs onze wangen. Soms was het gesprek korter, pinniger, met kortaf uitgespuugde zinnen. Altijd met hetzelfde eindresultaat.

‘Ik wil bij je zijn. Ik wil altijd bij je zijn.’

Een zucht: ‘Lief, dat gaat niet.’

‘Het gaat wèl. Jij wilt niet, jij kiest er niet voor. Jij kiest niet voor mij.’

‘Ik kies wel voor je, lief. Ik ben toch hier? Ik ben degene die zich in bochten wringt om bij jou te zijn. Ik doe de moeite. Ik loop het risico. Niet jij. Als ik niet bij je ben, denk ik aan je. Ik vraag me af wat je aan het doen bent. Ik mijn hoofd voer ik gesprekken met jou. Als mijn gedachten afdwalen, belanden ze altijd bij jou.’

‘Ik heb niets aan jouw stille gedachten. Ik wil dat je aan het einde van de dag bij mij thuis bent. Dat we naast elkaar in bed vallen. Ik wil samen boodschappen doen en op vrijdagavond in de meest populaire restaurants samen dineren. Ik wil dat collega’s, kennissen, vrienden en familie ons samen zien. Ik wil in het openbaar jouw rug kunnen strelen, mijn arm om jouw middel kunnen slaan en je op jouw mond kunnen kussen.’

Op dit punt in ons gesprek draaide je je om in bed waardoor ik tegen jouw naakte rug aankeek of liep je naar het raam om in geveinsde concentratie naar de zee te staren.

Meestal liet ik het hierbij. Ik wilde dit gesprek niet op de spits drijven, bang als ik altijd was dat je voorgoed zou vertrekken.

Totdat ik op sociale media de foto’s zag van de viering van jouw vijftigste verjaardag die je zonder mij, maar met jouw familie en speciaal genodigde gasten vierde.

‘Je hebt me niet uitgenodigd, niet eens verteld over het feest! Bang als je bent dat ik erbij zal zijn. Jij bent bang voor wat mensen zullen zeggen. Wat mensen van je zullen vinden. Jouw ouders, familie, vrienden. Vooral de mensen met wie je werkt en de sociale, voor het oog godvrezende, kring waaraan je jouw maatschappelijk succes meet! Wat denk je dat jouw principes je waard zullen zijn als je aan de hemelpoort staat en ziet dat anderen ook zomaar mogen doorlopen? Anderen die er, net als jij, een buitenechtelijke relatie op na hebben gehouden? Waarschijnlijk meer dan één en voor iedereen zichtbaar! Wat voel je als hun aardse acties vergeten en vergeven zijn en ze tot in de eeuwigheid de herinnering aan hun ongebreidelde levensgenot kunnen koesteren? Misschien moet je vrezen aan de poorten van de hel te moeten aankloppen! Dat je gestraft wordt omdat je het godsgeschenk dat jouw geboden is, de liefde waar de geschriften vol over staan, hebt verloochend. Dat je bij de verschroeiende hitte staat, niet omdat je ontrouw was aan je echtgenoot, maar omdat je ontrouw was aan het leven in liefde dat je niet verwezenlijkt hebt!’

Na deze ruzie bekoelde onze relatie voor een langere tijd om uiteindelijk toch weer, na een voorzichtige ‘ik denk aan je’, ‘lief, ik mis je zo’, de draad weer als vanouds op te pakken.

‘Lief, je bent altijd in mijn gedachten. Ik draag je altijd bij me’ zei je vaak. Het was mijn houvast. In onze gedachten kon niemand meekijken. Zolang ik maar in jouw gedachten bestond, was wat er tussen ons was, echt. Daar hield ik me aan vast.

Ik hoopte dat er later meer tijd voor elkaar zou zijn. Als er geen werkverplichtingen meer waren, als jij allang niet meer de zorg voor man en kinderen had. Je zou uit de publieke schijnwerpers treden, niets zou jouw zorgvuldig opgebouwde reputatie meer schaden. Op mijn slechte dagen hoopte ik dat jouw man vroegtijdig zou overlijden.

Jij bleef bij hem waardoor onze ruzie over jouw keuzes zich eens in de zoveel tijd herhaalde. Totdat jij steeds vaker en steeds net wat feller dan ik gewend was, reageerde op mijn verwijten.

Achteraf waren jouw woede uitbarstingen te verklaren. Het was de frustratie van ergens beseffen dat jij, die altijd controle had gehad, die altijd jouw intellect als jouw meest waardevolle eigenschap koesterde, zich realiseerde dat dit juist hetgeen was dat bij jou als eerste, en veel te vroeg, in verval raakte.

Je struikelde een keer en kwam op een parkeerplaats bij een supermarkt ten val. Hoewel er geen oneffenheden op de geasfalteerde plek te zien waren, deed jij het af als een verstapping, een verkeerde inschatting van de ruimte. Het gebeurde daarna vaker. Steeds wimpelde je de gebeurtenissen af met een excuus: je had nieuwe brilglazen nodig, de vloer was nat, de zolen van jouw schoenen waren te glad.

Je bleek niet in staat om jouw angsten aan jezelf, laat staan aan een ander, toe te geven. De kleine dagelijkse signalen waren voor mij niet zichtbaar waardoor ik de hevigheid van de situatie pas ervoer op een moment dat uiteindelijk ook het laatste moment zou zijn dat we nog samen zouden zijn.

Je wist niet meer waar je jouw telefoon had neergelegd voordat we samen in bed waren beland. Je zocht verwoed in jouw tas en doorzocht als een bezetene de kamers van het weekendhuis. Je reageerde niet op de geruststellende woorden die ik jou, nog onwetend en lui tussen de lakens liggend, toeriep. Gealarmeerd door het geluid van vallende tubes en potjes in de badkamer was ik opgestaan.

Je stond naakt in de deuropening van de badkamer. Er was een waas over jouw ogen getrokken. Je wees met een halflege shampoo fles naar mij, als om mij op een afstand te houden. Een koude rilling trok over mijn lichaam toen ik me realiseerde dat je mij niet herkende. Jouw ademhaling was hijgerig, je trilde over jouw hele lichaam en schudde kwaad met jouw hoofd.

Ik staarde je bewegingloos aan, lamgeslagen door de kracht van de crisis die zich voor mijn ogen voltrok en die jou, de vrouw van wie ik het grootste deel van mijn leven had gehouden, overmeesterde, je tussen zijn kiezen vermorzelde en je weer als een vuil restje uitspuugde.

Plotseling knipperde je met jouw ogen. Het leek alsof zware onzichtbare coulissen vanaf het plafond op jouw schouders neerstorten en jou onder het gewicht verpletterden. Een kwetsbare, breekbare vrouw keek mij, met in tranen gevulde ogen, verward aan.

Ik bracht je voorzichtig terug naar bed. Je huilde geluidloos en de tranen vermengden zich met jouw zweet op het hoofdkussen. Ik durfde niet naast je te liggen en schoof een stoel zo dichtbij mogelijk aan. Ik hield jouw hand vast en streelde zachtjes langs de zijkant van jouw gezicht en over jouw onderarm totdat je, zonder nog een woord tegen me te zeggen, uitgeput in slaap viel.

Jouw man nam jouw wensen serieus en schermde je af van de sensatiegerichte ogen die in deze kleine gemeenschap meedogenloos mee gluurden, altijd speurend naar een nieuwtje om tijdens een kappersbezoek of etentje met anderen te delen. Je verdween vrij snel uit het openbare leven en was soms nog met jouw man te zien als hij je vroeg in de ochtend meenam naar jouw favoriete strand om langs de kustlijn te wandelen.
Net als een handjevol andere vrienden, liet jouw familie mij jou eens in de zoveel tijd bezoeken. Je zat vaak roerloos in een stoel. Tegen het einde lag je stil in bed. Ik streelde over jouw hoofd en gaf je voorzichtig een kus op jouw wang.

Als ik zeker wist dat er niemand in de buurt was, noemde ik je liefkozend mijn ‘blenchi’. Een koosnaam die ik je al kort na onze eerste ontmoeting had gegeven vanwege de groene glanzende ondertoon in jouw lichtbruine ogen en jouw onvermogen om, net als deze inheemse kolibrie, lang op één plaats te blijven.

Jouw verzorger veronderstelde dat we jeugdvrienden waren. Ze kneep eens zachtjes in mijn schouder en zei dat ik je verhalen van vroeger die we samen hadden beleefd moest vertellen. Dat was een onmogelijke taak. Onze verhalen waren zo onuitspreekbaar klein en intiem.

Er was bij jou allang geen teken meer van herkenning, geen liefdevolle glimlach of een intieme blik. Met het vertrek van jouw herinneringen verdwenen ook jouw geheimen. Daarmee verdween ik.

Ik streel lichtjes met mijn vinger over het krantenknipsel. Op het overlijdensbericht prijken alleen de namen van jouw man en kinderen. Voor het afscheid in kleine kring heeft jouw man mij niet uitgenodigd. Ook bij de laatste plechtigheid is mijn aanwezigheid niet gewenst. Vanmiddag wordt jouw as over de zee uitgestrooid. Daarmee verdwijnt ook wat nog was overgebleven van jouw, door mij zo aanbeden, prachtige lichaam.



Join our WhatsApp Community for updates on new posts!

Photo by Zdeněk Macháček on Unsplash