Arc de Triomphe

Hélène rukte de stengel uit de bloempot en schudde ongeduldig de laatste restjes potgrond er vanaf. Ze keek naar de bloem. Een margriet. Veel andere keuze was er niet in haar met donkergrijze keien bestrate stadstuintje. Ze vertrapte de potgrond. Op haar zwarte laars was wat bruinrode viezigheid blijven plakken. Ze wreef er met de zool van haar andere schoen overheen om het te verwijderen.

Met de bloem in haar hand geklemd, liep ze haar weerspiegeling in de glazen keukendeur tegemoet. Haar donkere haar vormde een grillig kader rond een blank, haast lijkwit gezicht. Haar ogen leken in de weerkaatste schemering niets meer dan een donkere waas. Haar zwarte vestje hing losjes om haar schouders. Aan haar zwarte bloesje was niets te zien, maar bij elke beweging voelde ze de vochtige stof tegen haar huid plakken op de plekken waar ze haar handen eerder had afgeveegd.

‘Bekijk elke dag met aandacht iets moois uit de natuur’ stond er in het boekje over mindfulness dat ze op aanraden van Vincent had besteld. Hij had aangedrongen: ‘Hélène, een aanvulling op onze sessies, hm?’ Ze had het boek ge-Googled. Een bestseller was het, voor het eerst van een Nederlandse auteur en, zo stond veelbelovend op de achterflap geschreven, daarmee een boek dat zeker ‘aansluiting zou vinden bij de nuchtere, praktische lezer die zich niet aangesproken voelt door Amerikaans McHappiness’.

Praktisch was het boek zeker: ‘Draag vrolijk gekleurde kleren ook al voel je je niet vrolijk’, ‘Strijk je beddengoed’, ‘Glimlach door je boosheid of verdriet heen’. En dus ook, ‘Bekijk elke dag aandachtig iets moois uit de natuur’. In het boek stond alleen niet wat je moest doen als je inmiddels wel kon kotsen van ‘al dat moois uit de natuur’, en gekleurde kleren het effect van een rode lap voor een stier hadden.

Ze hield de bloem iets van zich af. Het stuifmeel was zo geel als de waarschuwingsstickers van corroderende schoonmaakproducten in haar keukenkast. Dit was vast niet de opmerkzaamheid die bepleit werd in het boekje.

De witte bloemblaadjes waren nog gaaf. Ze leken op de tere vleugels van de witte vlinders die ze als kind uit de wayaca struiken in haar oma’s achtertuin ving. Tijdens lange zomervakanties bij haar oma op Curaçao was ze altijd in de achtertuin te vinden. Verscholen achter de rijk bebladerde bomen en struiken kon ze zich uren vermaken. Ze bestudeerde aandachtig de gele, oranje en grijze vogels die van tak naar tak hopten en luisterde naar hun gezang. Op de grond jaagde ze felblauwe en bruine hagedissen op die haastig een schuilplaats zochten tussen de hete stenen. De wayaca’s gingen tijdens haar vakantie volop in bloei met witte bloemen die veel weg hadden van te klein uitgevallen anjers. Deze struik trok zwermen witte vlinders aan die in stroken als een sluier om het struikgewas heen cirkelden en licht meedeinden op de vlagen van de wind.

Hélène ving de vlinders met haar tot een kommetje gebogen handen. Klein als ze was moest ze hoog springen en snel zijn. Als ze er één had gevangen bekeek ze vervolgens het wezentje dat zich met zijn pootjes aan haar handpalm had vastgekleefd, verdwaasd van de klap waarmee het ruw uit de lucht was gegrepen. Soms klapten ze nog vergeefs met hun beschadigde vleugels. Hélène richtte al snel haar blik naar de nog rondvliegende vlinders, op zoek naar haar volgende prooi. Het beestje in haar handpalm blies ze hard weg of ze wapperde met haar hand totdat het beestje losliet en weerloos op de grond viel waar de zandbruine hagedissen dankbaar van de makkelijke maaltijd genoten.

Zoals ze als klein meisje de ene na de andere vlinder najoeg, was ze in haar leven de volgende stap, het volgende succes blijven najagen zonder echt aandacht te schenken aan wat ze ving, zonder om te kijken naar wat ze achterliet. Opgejaagd door adrenaline, blik naar voren gericht, hoger, beter en meer, klaar voor de volgende uitdaging, het nieuwe, het onbekende.

Ze lachte, praatte, deed mee met haar gezelschap, was op de juiste momenten op de juiste plekken met de juiste mensen. Totdat ze steeds vaker na een werkdag, borrel of etentje, op weg naar huis opmerkte dat ze met de maximaal toegestane snelheid, een steeds donkerder en benauwend drukkende tunnel inreed.

De lichte druk die ze ’s ochtends achter haar ogen voelde, groeide uit tot de druk van een enorme, naar uitwerpselen en urine stinkende olifant. Het beest verpletterde haar lichaam, zijn lichaamsgeur wasemde door de kamer en sneed haar de adem af, waardoor ze pas na uren worstelen en drijfnat van het zweet, een nieuwe dag kon beginnen.

Ze belandde bij Vincent. In zijn spreekkamer hing achter de design fauteuil van zijn patiënten een minimalistische zandkleurige wandklok. Hier tegenover hing een abstract kunstwerk, in zachtgroene, blauwe en beige tinten. In deze ruimte van gestileerde rust, was haar al eerder in zijn boekenkast een kleine ingelijste foto, misschien was het een postkaart, opgevallen. Het was een foto van de imposante Arc de Triomphe die met het gekozen perspectief en de belichting het centrum van het universum leek. Stralend licht, auto’s die eromheen zoefden, strepen rood en wit licht, de foto leek een schreeuw in de stille ruimte.

Vincent had een tic, eigenlijk twee. Hij begon bijna elke zin door haar naam te noemen, als om zichzelf eraan te herinneren welke van al zijn patiënten tegenover hem zat. Hij was misschien het middelpunt voor meer mensen die, zoals zij nu, om hem heen raasden, in eindeloze rondjes. Weer een rondje, weer een sessie. Wanneer was er genoeg therapie? Wanneer was je klaar? Het waren vragen die haar steeds meer bezighielden. De vragen maakten haar steeds rustelozer, net zoals ze zijn tweede tic. Hij eindigde elke paar zinnen met een vragende ‘hm’.

Ze wees de foto aan. Vincent leek verbaasd dat ze het had opgemerkt.

‘Kort voor ons afstuderen ben ik met vriendinnen naar Frankrijk gereden. We moesten ook rond de Arc. Toen was het verkeer nog toegestaan.’

Vincent knikte, streek lichtjes over zijn bovenbeen als om een onzichtbaar stofje te verwijderen en wachtte haar verdere toelichting af.

‘Ik zat achter het stuur. Het was een klein blauw autootje, waar we ons met z’n vijven in hadden gepropt. Er was zoveel verkeer. De adrenaline gierde door mijn lichaam. Ik had aangeboden om te rijden. Ik zou de verkeerschaos wel trotseren. Ik bekeek de spiegels met haviksogen en hield het verkeer scherp in de gaten. Ik voegde in waar nodig. Veranderde van baan. Gaf voorrang waar het verplicht was. Ik reed ook door waar dit eigenlijk niet mocht, maar met extra gas en behendigheid wel lukte. Ik lachte de vloekende en druk gebarende mannen via mijn achteruitkijkspiegel uit. Ik passeerde verbeten kijkende vrouwen, ontweek de misprijzende blikken en pinnig opgestoken middelvingers…. Dit was het leven dat ik na mijn afstuderen voor ogen had. Waar ik me in heb gestort. Nu kijk ik naar deze foto en zie ik mezelf niet meer op die rijbaan.’

‘Hélène, wat bedoel je dat je jezelf niet meer ziet op de rijbaan? Hm?’

‘Ik ben ergens anders. Op een rijbaan die niet zichtbaar is. Mijn collega’s, kennissen, vrienden, die rijden hier nog wel. Toen ik er ook op reed, haalden we onze schouders op bij anderen die afhaakten. Het waren niet wij. Anderen namen ergens een afslag, verdwenen uit het zicht. Als we het al een keer over hen hadden, bleek na navraag dat deze mensen ‘even gas terug’ hadden genomen of ‘tijd namen om het contact met zichzelf’ te hervinden. Die mensen vertrokken naar een verder onbekend en oninteressant wegennet. Wij niet, als er al een ongeluk met ons gebeurde, gingen we na een reparatie gewoon weer door.’

Ze keek Vincent aan. Een wat bleek gezicht, gladde huid, lichtgrijze wallen en beginnende kraaienpoten. Een aangezicht dat jarenlang was getraind voor het uitstralen van begrip, keek terug. Zijn wenkbrauw schoot even omhoog, als uitnodiging aan haar om verder te praten.

‘Soms kwamen er bekenden in het verkeer om het leven. Dit leidde bij de rest van ons tot stilstaand verkeer, files, een snelle APK van de auto, het leven, relaties en vriendschappen, waarna we vervolgens weer gas gaven en verder gingen.’ Ze schudde als verslagen met haar hoofd.

‘Hélène, wat voel je nu waardoor je met je hoofd schudt? Hm?’

‘Ik ben het lachertje. De sukkel. Ik had het niet door. Ik dacht dat ik ruim vóór de troepen uit snelde. Vanzelfsprekend werd het dus steeds stiller om mij heen. Ik had niet door dat ik zelf ergens een andere afslag had genomen. Ik verschoof steeds verder weg van de rest naar een verlaten en amper verlichte buitenbaan. Inmiddels lijk ik op een compleet ander wegennetwerk te zijn beland.’

‘Wat maakt dat je een oordeel hebt over een ander wegennetwerk? Kunnen het niet andere keuzes zijn, verschillende levensfasen, hm? Een andere manier om te leven? Hm?’

‘Ik wil niet op dit wegennetwerk zijn. Ik wil hier weg. Hoezo is er geen plek meer voor mij als levensfasen niet identiek met de groep verlopen? Waarom moet ik schuiven naar een onzichtbaar, secundair, zelfs provinciaal wegennet?’

Haar vragen bleven in de kamer hangen. Vincent kuchte.

‘Hélène, als je nou vooruit kijkt, naar de toekomst. Wat vind je dan belangrijk voor jezelf, hm?’

Ze wees naar de foto. ‘Dat. Daar weer onderdeel van zijn. Niet meer naar jou komen en praten over uitzichtloze emoties. Meedoen, zoals de rest.’

Hij had haar aangekeken en kort geknikt voordat hij naar de wandklok keek. De sessie was voorbij. Ze was vetrokken, zonder antwoorden en met een steeds luidere stem in haar hoofd die haar toeriep dat ze haar tijd verdeed. Haar gevoel van twijfel was de laatste weken omgeslagen naar boosheid. Het kronkelde langzaam als een slang langs haar enkels omhoog, siste met een hete adem en liet een slijmerige, brandende laag op haar huid achter die maar niet weg ging.

Vincent had haar vandaag weer de vraag gesteld: Hélène, Wat vind je nou belangrijk voor jezelf, hm?’ Ze hoorde het venijnige gesis van de slang, voelde de hitte van zijn slijmerige huid terwijl het beest via haar benen, langs haar middel omhoog kroop naar haar borst.

Ze zocht naar de foto. Hoe vaak moest ze het aan Vincent uitleggen? De Arc de Triomphe stond niet op zijn vaste plek. Ze zag de fotolijst nergens. Vincent moest het hebben opgeborgen. De slang drong sissend haar oor binnen.

Ze had haar kiezen hard op elkaar gedrukt om haar stem te beheersen: ‘Ik weet niet wat ik belangrijk vind. Ik denk ook niet dat het echt belangrijk is dat ik me dat afvraag. Wat nou als al deze vragen er allemaal niet toe doen?’

Hij verschoof in zijn stoel, een teken dat hij wat zou zeggen. Hélène kapte hem af vóór hij wat zei.

‘Ik ging in mijn zomervakanties met mijn oma vaak naar de rotsachtige noordkust van het eiland. Ik vond het altijd spannende uitjes. Het terrein was daar zo ruig, de wind rukte aan kleren. Ik ging met mijn oma uitkijken over de zee. De mooiste en grootste golven rolden daar over elkaar heen. Uiteindelijk spatten ze allemaal tegen de rotsen uit elkaar. Het was water dat even in een indrukwekkende vorm te zien was, imposant, indrukwekkend, bijzonder, misschien zelfs belangrijk. Enkele seconden daarna brak ook deze golf en ging het net zo gewoon weer op in de rest van de anonieme zee. Weg, verdwenen, onherkenbaar.’ Ze dacht terug aan de warme wind die in haar gezicht waaide en haar lippen zout deden smaken. Ze zag even het door de tropische zon geharde gezicht van haar oma, die haar stevig bij de hand vasthield en haar lachend aankeek terwijl haar haren alle kanten uit waaiden.

‘Hélène, als je het zo ziet, als er niets belangrijk is, waarom zit je dan hier? Waarom kom je naar onze afspraken, hm?’

‘Ik wil een golf zijn, Vincent, tussen al die andere golven. Omhoogstuwend, vooruit denderend, als vanzelfsprekend onderweg met de rest. Op het juiste pad. Geen twijfel, onwetend en zonder enig benul dat ik te pletter ga slaan.’

Ze had hem recht in de ogen aangekeken. Ze hoopte op een doorbraak. Een energetische wijsheid die vanuit zijn ogen en via zijn woorden aan haar overgedragen zou worden. Ze hoopte op een openbaring, zodat ze kon invoegen op de rijbaan met haar oude bekenden, vrienden, collega’s. Ze hoopte niet meer zijn ‘hm’ aan te hoeven horen.  

Hij verschoof in zijn stoel. Ze zag hoe zijn lippen zich vormden tot de karakteristieke ‘hm’. Haar vingers klemden zich vast aan de hals van de matzwarte metalen waterfles die ze naast zich op de grond had staan. Nooit meer ‘hm’. Nog voordat hij een toon uit kon brengen, knalde de metalen fles vol tegen Vincent’s nietsvermoedende rechterslaap aan. Zijn lichaam zakte in elkaar en gleed van de lage designstoel stoel af.

Ze was op hem afgesprongen en beukte met de fles op hem in. Ze knuppelde de zijkant van zijn gezicht af alsof het de kop van een zeehond was. Ze sloeg de fles tegen zijn achterhoofd, tegen zijn oor, tegen zijn kruin en met de rand steeds harder tegen zijn slaap en wang. Een stuk afgebroken tand vloog uit zijn mond. Ze schopte met de punt van haar laars in zijn gezicht, in zijn maag, in zijn kruis. Ze spuugde op hem. ‘Vincent, wat doet dit met je, hm?’ Een klap tegen zijn slaap. ‘Wat voel je nu, hm? Waar in je lichaam voel je dit, hm?’ Een schop. ‘Hier, hm? Of toch meer hier, hm?’ Weer een schop. Ze stopte soms even om adem te halen en haar bloederige handen aan haar kleren af te vegen voordat ze de glibberige fles weer vastpakte en doorging.

Totdat het knarsende, schelle gepiep van een voorbijsnellende tram haar deed opschrikken. Ze keek naar beneden. Het hoogpolige zandkleurige vloerkleed was getransformeerd tot een abstract moderne doek in de primaire kleur rood. Ze keek omhoog, naar de wandklok. De sessie was voorbij. In de stille kamer hield ook de slang zich gedeisd.  

Ze had de lichten uitgedaan, de deur achter zich dicht getrokken. Iemand zou hem vinden. Uit zijn agenda zou blijken dat zij de laatste patiënt was geweest. Ze zou gebeld worden. Misschien dat er bij geen gehoor, iemand bij haar thuis zou aanbellen. Het deed er niet meer toe. Ze was naar huis gereden.

Ze stapte haar keuken binnen. De muffe geur van te lang opgesloten lucht omsloot haar. Ze schudde de margriet een laatste keer en stopte het in de paarse vaas. Het was een kunstige vaas, design. Zo één uit de woonbladen. Het had een lange dunne hals waar precies één bloemsteel in paste. Ze had de vaas in een luxe warenhuis gekocht na een sessie waarin Vincent had gezegd dat ze kleurige dingen, ‘vrolijke accessoires’, in huis kon halen. ‘Hélène, om jouw omgeving wat op te fleuren, hm?’ Ze vertrouwde toen nog op zijn adviezen. De donkerpaarse vaas was misschien niet het meest fleurige accessoire, maar het had tenminste kleur.

Ze hees haar tas over haar schouder en keek een laatste keer de keuken in. Het kastje onder de wasbak stond nog op een kier. Het moest maar zo blijven. Het licht van de lantaarnpalen drong binnen waardoor een langgerekte schaduw zich achter de vaas aftekende op het verder lege keukenblad.

Hélène draaide zich om en liep naar de deur. Bij het zijtafeltje in de hal stopte ze. Op het smalle tafelblad stond naast haar sleutelbos alleen de open pot pillen. De kindveilige dop lag er naast. Ze had zich al na een paar dagen geërgerd aan deze beveiliging voor kinderen die er in dit huis toch niet zouden komen. Ze had Vincent moeten beloven de pillen te blijven slikken. Ze had elke avond zijn stem gehoord. ‘Kom Hélène, één pil, om jezelf wat op te fleuren, hm?’ Vandaag niet meer. Ze griste haar autosleutels van het tafelblad en opende de deur.



Join our WhatsApp Community for updates on new posts!

Photo by Florian Wehde on Unsplash