Een Lichtblauwe Jurk

Het is mooi weer, toch houdt haar vader de ramen dicht. Bang als hij is dat het virus met een zoemende bij het huis in vliegt. De eerste dagen was ze boos geweest, onrustig. Binnen zitten in het benauwde huis met een vader die met hernieuwde bezieling bad en schoon maakte. Reinigen van de ziel en reinigen van het huis. Maar met elke dag die verstreek nam de gelatenheid haar steeds meer in beslag. De gelatenheid hing als een donkere nevel enkele millimeters boven de vloer. Het bedekte eerst haar tenen en haar voeten en sloop via haar enkels, onderbenen en knieën omhoog.

Zij verbleef op de bovenverdieping en hield de deur naar de gang gesloten. Ze voelde zich gevangen in het huis waar ze een paar jaar eerder zo gretig afscheid van had genomen. Het avontuur had aan haar getrokken. Haar werk bracht haar naar verre landen, bevredigde haar nieuwsgierigheid naar nog onbekende mensen en nieuwe ervaringen. Zij had zich vrijgevochten uit het beklemmende dorp.

Op het schip en in de havens had ze gulzig genoten van zonlicht, muziek, seks en vriendschap. Het dorp was ver weg en vergeten. Abrupt was aan dit leven een einde gekomen. In ieder geval voor nu. Zo plotseling was ze zonder werk, dat ze niet eens terug kon in haar onderverhuurde studio. Ze was genoodzaakt bij haar vader in te trekken.

Vanochtend was ze met een dikke tong en een droge keel wakker geworden. De donkere nevel had in de nacht zijn weg naar boven, naar haar keel en mond gevonden. Het gewicht van haar dekbed drukte als een gevallen betonplaat op haar borst.

Met een zucht had ze haar hoofd naar het raam gedraaid. Door de gleuf tussen de donkerbruine gordijnen, straalde een streepje lichtblauwe hemel haar toe. Opeens had ze zich haar balletjurk herinnerd. De jurk die ze met haar moeder had gekocht op een strenge winterdag met eenzelfde lichtblauwe hemel. Haar moeder had lachend een hand tegen Ella’s wang aangedrukt. ‘Kijk Ella, als je de balletjurk aandoet, draag je een stukje hemel met je mee.’ Haar moeder nam altijd intens de natuur in zich op. Het koolmeesje dat aan een dauwdruppel zoog, een herfstblad in de vorm van een hartje of een kever die naar een schuilplaats waggelde.

Ella had de balletjurk in een hoek achter in de klerenkast gevonden. De kleur was precies zoals ze het zich herinnerde. Met gesloten ogen had ze aan de jurk geroken. Het rook naar mottenballen vermengd met een vleugje wasverzachter. Terwijl ze uitademde fladderde de herinnering aan de ontelbare balletlessen en het onwrikbare enthousiasme van haar moeder als een vlinder door haar hoofd.

Ze had de jurk aangetrokken. Het zat strak, maar paste nog wel. Ze was op het bed neergeploft en had de petticoat over haar benen geslagen. In haar hoofd klonk zachtjes muziek en vrolijk de stem van haar moeder. Ze haalde adem, er was in de kamer eindelijk weer lucht.



Join our WhatsApp Community for updates on new posts!

Image: Edward Hopper, New York Interior, c. 1921, Whitney Museum of American Art, © Heirs of Josephine N. Hopper, licensed by the Whitney Museum of American Art